Skip to content
Inburgering Nu
Video lessons
Exams
Study guide
Word games
Pricing
Log in
Start for free
Dutch words
4153 words with meanings, de/het articles, example sentences and pronunciation.
Search words
All
A1
939
A2
1767
B1
1447
By letter
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Starting with Z
131 words
Clear filters
het
zelfvertrouwen
self-confidence
·
noun
B1
zelfverzekerd
self-confident
·
adjective
B1
de
zender
station, channel
·
noun
A2
zenuwachtig
nervous
·
adjective
A2
zes
six
·
number
A1
zestien
sixteen
·
number
A1
zestig
sixty
·
number
A1
zetten
to put, to place
·
verb
A1
zeven
seven
·
number
A1
zeventien
seventeen
·
number
A1
zeventig
seventy
·
number
A1
zich aankleden
to get dressed
·
verb
A2
zich interesseren voor
to be interested in
·
verb
B1
zich melden
to report (in)
·
verb
A2
zich uitkleden
to undress
·
verb
A2
zich vervelen
to be bored
·
verb
A2
zichtbaar
visible
·
adjective
B1
ziek
ill, sick
·
adjective
A1
de
zieke
sick person
·
noun
A2
het
ziekenhuis
hospital
·
noun
A1
ziekmelden
to call in sick
·
verb
B1
de
ziekmelding
sick report
·
noun
A2
de
ziekte
illness, disease
·
noun
A1
de
ziektekosten
medical costs
·
noun
B1
zien
to see
·
verb
A1
zij
she; they
·
pronoun
A1
zijn
to be
·
verb
A1
het
zilver
silver
·
noun
A2
zilveren
silver
·
adjective
A2
de
zin
sentence; desire
·
noun
A2
Previous
2 / 5
Next