zelfstandig naamwoord · de-woord · A1 · veelgebruikt
de vakantie
Wat betekent “vakantie”?
Meervoud: de vakantiesLettergrepen: va·kan·tie
Betekenis
- Engels
- holiday, vacation
Dit woord krijgt “de”.
Voorbeeldzinnen
- In de zomer gaan we op vakantie naar Turkije.In summer we go on holiday to Turkey.
- Mijn collega is twee weken met vakantie.My colleague is on holiday for two weeks.
Uitdrukkingen
- op vakantie gaanto go on holiday
- met vakantie zijnto be on holiday
Oefen dit woord met een game
Een korte woordquiz met de 271 woorden over Verkeer en reizen.